De bijenkorf en haar inwoners

Bijen leven in een collectief en hun hele leven staat in teken van het welzijn van de kolonie. Een bij kan enkel overleven in groep en sterft snel als ze alleen is. Om die reden beschouwt men de bijenkolonie sinds de 19e eeuw dan ook als een super-organisme als een biologische eenheid.

Een bijenkolonie bestaat uit drie groepen bijen:

De koningin is de moeder van alle bijen van de kolonie. Ze is een stuk groter dan de anderen, haar achterlijf is overontwikkeld en ze wordt een stuk ouder (4 tot 5 jaar) dan de andere twee bijen-types. Als de kolonie te groot wordt, kiezen de werkbijen een (of meerdere) vers gelegde eitjes. Ze voeden het met koninginnebrij en omringen het met speciale zorg. Uit dit eitje wordt een nieuwe koningin geboren. Als deze vergroeid is, verlaat de oude koningin de korf om een nieuwe kolonie te stichten. De nieuwe koningin vliegt uit voor haar bruidsvlucht en wordt tijdens deze vlucht bevrucht door verschillende darren. Vervolgens keert ze terug naar de bijenkorf en begint eitjes te leggen tot het proces zich herhaalt. De feromonen die de koningin afscheidt hebben een rustgevend effect op alle inwoners van de kolonie. Van zodra deze feromonen afnemen of verdwijnen, ontstaat er onmiddellijke reactie in de hele kolonie. De koningin krijgt alle mogelijke zorgen: ze wordt haar hele leven gevoed met koninginnebrij en wordt door haar hofhouding verzorgt en afgelikt. Ze is het kloppend hart van de kolonie en is dus ook bij de imker van cruciaal belang.

De werkbijen – steriele vrouwtjes – vormen de grootste groep binnen de kolonie. In de zomer vervullen ze alle taken die noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de kolonie. Hun rol verandert naargelang ze ouder worden. Binnen een periode van 5 weken (de gemiddelde leeftijd van een bij) is ze opeenvolgend schoonmaakster, voedster, bouwbij, waaierende bij, wachtbij en tot slot haalbij. Deze verschillende functies gaan gepaard met veranderingen en aanpassingen in hun metabolisme. Als de kolonie het echter nodig heeft, dan kan een werkbij een fase terugkeren in haar evolutie of zelfs een stap overslaan. Ze past zich dus aan aan de noden van de kolonie.

Elke bijenkorf telt vanaf de lente tot het begin van de herfst ook een honderdtal mannetjes of darren. Zij worden geboren uit onbevruchte eitjes. Hun belangrijkste rol bestaat erin de koningin te bevruchten. Dit gebeurt maar 1 keer in haar leven. Omdat darren zichzelf niet kunnen voeden, geen werk kunnen uitvoeren en zich niet kunnen verdedigen worden ze bij de eerste koude de korf uitgejaagd. Darren zijn gemakkelijk te herkennen aan hun afmetingen; ze zijn groter dan de werkbijen.

Een bijenkolonie houdt geen winterslaap maar overwintert. Tijdens de wintermaanden wordt de bijenkorf bevolkt door de koningin en de winterbijen die geboren zijn op het einde van het zomerseizoen. In vergelijking met de zomerbijen beschikken winterbijen over meer vetweefsel en leven ze langer (5 tot 6 maanden). Ze zijn eveneens in staat om warmte te produceren en zorgen op die manier voor het overleven van de kolonie en de koningen. Ze gaan in groep rond de koningin liggen om haar te beschermen tegen de koude. Tijdens de hele winter wordt de temperatuur binnen de korf op 30 graden gehouden, hoe koud het buiten ook is. Door binnenin de korf een hechte massa te vormen, beschermen ze zich tegen de koude en overleven ze de winter.

De omvang van een kolonie varieert al naargelang het seizoen. Tegen het einde van de winter telt een kolonie 10.000 tot 20.000 bewoners. In het hoogseizoen stijgt dit aantal tot 80.000. Na het uitzwermen van de oude koningin is een kolonie gehalveerd. De imker zorgt er als een goede herder voor dat zijn bijen in de meest optimale omstandigheden kunnen leven en de ruimte krijgen die ze nodig hebben. Hij kan het volume van de bijenkast verkleinen door de kast op te delen in kleinere delen of het volume verhogen door er een stuk bovenop te plaatsen.